Zoeken in faculteit sociale wetenschappen

Faculteit Sociale Wetenschappen » Instituut voor Mediastudies » Mediabeleid en Governance

Mediabeleid en Governance

Omschrijving

Twee centrale vragen domineren de Europese mediapolitiek sinds de jaren '80: 1. Kunnen mediaproducten enkel en alleen beschouwd worden als cultuuruitingen, of moeten ze vooral gezien worden als koopwaar?; 2. In welke mate behoren de regulerings- en dereguleringstendensen in de media – de jure of de facto – tot de nationale/regionale overheden? Binnen de Europese Gemeenschap is er een supranationaal beslissingsniveau aan toegevoegd en is in de praktijk een beleid van gereguleerde deregulering doorgevoerd. De gevolgde opties op het Europese niveau hebben regelmatig tot conflicten geleid met de nationale en regionale overheden en leveren interessante testcases op van zgn. "multi-level governance" (of gebrek daaraan). Zo ondervinden publieke omroepen moeilijkheden bij het zich positioneren in deze nieuwe context; initiatieven die een zgn. pan-Europese cultuur moeten uitdragen hebben gefaald; en de bevoegdheden van de Europese Commissie, de Raad van Europa, de Raad van Ministers en het Europees Parlement op mediavlak zijn allerminst eenduidig en overlappend. Beleidsrelevante vraagstukken die vergelijkingen inhouden binnen de Europese Unie, naar nieuwe EU-lidstaten toe, of met het oog op de VS of Canada worden bij voorkeur behandeld. Concrete wetgeving en beleidsinitiatieven met betrekking tot cultuur- en mediabeleid in verschillende geografische contexten, met de nadruk op Europa, worden bestudeerd. "Best practices" van cultuur- en mediabeleid waaraan principes zoals kwaliteit, performance, verantwoordelijkheid, verantwoording, diversiteit, pluriformiteit etc. ten grondslag liggen worden getoetst op hun haalbaarheid en graad van efficiëntie vanuit de driehoek burger/civil society, overheidsregulering en marktwerking. Voorbeelden van te behandelen thema's zijn: Europa als "globale" media-actor; Mergers en allianties in de mediasector -- de houding van nationale overheden en de Europese Commissie terzake; Mediaproducten vanuit WTO-perspectief; Commercialisering, deregulering en Europese re-regulering; Nieuwsflows: Noord/Zuid discrepanties en vertekening in de nieuwsinhoud; Het fictievraagstuk met aandacht voor de kleine landenproblematiek in Europa, etc.

Recente projecten

  • Visitatiecommissie publieke omroep

Leen d'Haenens was lid van de tweede visitatiecommissie publieke omroep (2004-2008) die de wijze waarop de Nederlandse publieke omroep zijn taakopdracht heeft uitgevoerd in de periode september 2004 tot januari 2008 heeft geëvalueerd. De commissie heeft hiertoe het spel, de spelers en het samenspel geanalyseerd. In dit rapport doet ze aanbevelingen om de prestaties van de publieke omroep te verbeteren. De visitatieprocedure is een middel voor verantwoording van de publieke omroep aan kijkers, luisteraars, internetgebruikers en de Nederlandse belastingbetalers.
De commissie heeft haar rapport, getiteld "De publieke omroep: het spel, de spelers, het doel. Rapport van de visitatiecommissie landelijke publieke omroep 2004-2008" op 22 april 2009 openbaar gemaakt. Het integrale rapport is downloadbaar op de website van de publieke omroep.

Als belangrijkste conclusies van de commissie geldt dat de publieke omroep de huidige zender- en netprofielen en de nieuwe wijze van programmeren verder moet uitbouwen om relevant te blijven voor publiek en samenleving in een overvol medialandschap. Ook is daarvoor meer fundamentele bezinning op de toe- en uittreding van omroepen noodzakelijk. Om het publieke bestel beheersbaar te houden, moet de achterdeur verder open en aan de voordeur strenger geselecteerd.

Nu al leidt het grote aantal omroepen tot versnippering van zendtijd en middelen. En dat terwijl de publieke omroep zich volgens de commissie de komende jaren meer zou moeten gaan richten op overkoepelend beleid voor kwaliteit, diversiteit en innovatie van het aanbod. Dit wordt volgens de commissie alleen maar moeilijker als er nog meer omroepen bijkomen en er geen omroepen het bestel verlaten. Het onlangs door de Tweede Kamer aangenomen voorstel voor een nieuwe Erkenningswet is een eerste stap om het bestel beheersbaar te houden. Op termijn zijn volgens de visitatiecommissie echter meer fundamentele veranderingen van het bestel nodig, bijvoorbeeld door een maximum en een minimum aantal spelers te bepalen, de invoering van vergelijkbare criteria voor zittende omroepen en nieuwkomers, een voorportaal voor nieuwkomers, en bezinning op ledentallen als de basis voor de toekenning van zendtijd en middelen. Ook beveelt de visitatiecommissie voor de korte termijn aan om in aanvulling op de Erkenningswet een overkoepelende stichting op te richten voor de zendtijd van kerkgenootschappen en genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag. Deze genootschappen hebben nu nog allemaal een eigen omroep. Daarnaast zou er één educatieve omroep moeten komen, in plaats van de huidige twee (Teleac/NOT en RVU). Globaal bezien voldoen de meeste publieke omroepen die nu deel uit maken van het bestel aan hun eigen doelstellingen en komen zij boven de streep uit. Uitzondering is LLiNK. Deze aspirant-omroep heeft de plannen waarmee hij het bestel binnenkwam volgens de Visitatiecommissie niet waargemaakt. De nieuwe Erkenningswet kent een zwaarder gewicht toe aan het oordeel van de visitatiecommissie. Om hieraan te kunnen voldoen moet de publieke omroep ervoor zorgen dat de volgende visitatiecommissie met heldere criteria en meer eenduidige gegevens kan werken. Tot slot pleit de visitatiecommissie voor minder maar effectiever toezicht.

  • EU Kids Online

Eerste verkennende, vergelijkende fase afgewerkt. Tweede fase van dataverzameling met het oog op aanbevelingen voor beleid gaat van start

Nieuwe EU studie naar online risico’s voor kinderen

Vanaf 1 juli 2009 start een nieuw tweejarig onderzoeksproject in c.a. 20 Europese naar de ervaringen van kinderen met internetrisico’s. Het onderzoek wordt gecoördineerd door prof. Sonia Livingstone (London School of Economics and Political Science) en wordt gefinancierd door het EC Safer Internet Programme met een budget ter hoogte van 2,5 miljoen euro. Voor België zal het onderzoek gecoördineerd worden door Prof. Leen d’Haenens, Centrum voor Mediacultuur en Communicatie-technologie (K.U. Leuven) i.s.m. VUB-collega’s (Prof. Jo Bauwens en Prof. Katia Segers).

De studie omvat origineel empirisch onderzoek naar online veiligheidsissues zoals ervaren door duizenden Europese kinderen en jongeren van 9 tot 16 jaar oud en hun ouders. Onder online risico’s worden onder meer blootstelling aan ongeschikte inhoud (bijv. pornografie), ongewenst contact (bijv. ‘sexual grooming’), en ongepast gedrag door kinderen zelf (bijv. cyberpesten) verstaan.

In het project zullen kinderen uit ca. 20 landen op basis van dezelfde vragen worden gevraagd wat zij als kansen en risico’s van het internet bestempelen. Tegelijkertijd zullen ook ouders worden gevraagd hoe zij de risico’s inschatten en wat ze ondernemen om die risico’s te beperken. Bedoeling van het nieuwe onderzoek is om beleid hieromtrent te sturen en eventuele mediapaniek te counteren met empirische gegevens. Zo zal het EU Kids Online project tegen volgende zomer vergelijkbare gegevens voor elk deelnemend land kunnen presenteren en in Europees perspectief kunnen bekijken.

Dit is het tweede project ondernomen door het EU Kids Online netwerk, dat bestaat uit ca. 70 academici over heel Europa. Het eerste project analyseerde de bevindingen van bijna 400 studies rond ervaringen van kinderen met online risico’s in 21 landen. Centrale bevindingen van het eerste project zijn samengevat in het rapport “EU Kids Online: Final Report”, raadpleegbaar via www.eukidsonline.net .

Uit de eerste studie blijkt onder meer dat het vrijgeven van persoonlijke informatie het grootste en meest voorkomende online risico is, terwijl het ontmoeten van een online contact veel minder frequent voorkomt maar toch het potentieel grootste risico inhoudt. Verder blijkt nog dat kinderen uit gezinnen met lagere inkomens meer blootgesteld zijn aan online risico’s. Over de landen heen is een link tussen gebruik en risico vastgesteld: in Noord-Europese landen neigt ‘hoog gebruik’ naar ‘hoge risico’s’; in Zuid-Europa zien we ‘laag gebruik’ gekoppeld aan ‘lage risico’s’; en in Oost-Europa neigt ‘nieuw gebruik’ naar ‘nieuwe risico’s’.

Het rapport formuleert beleidsaanbevelingen om de risico’s te beperken zoals het aanscherpen van regulering via meer zelfregulering vanuit de industrie en het ontwikkelen van meer initiatieven in de sfeer van mediageletterdheid. Uit de resultaten blijkt dat vooral jonge kinderen voor wie het internet nieuw is en kinderen uit lagere socio-economische gezinnen het doelwit moeten zijn van nieuwe campagnes.

Het onderzoek maakt ook duidelijk dat de intentie om het internet een veiliger plek te maken voor kinderen evenmin de oplossing is, omdat diegenen die meer risico’s ervaren, tegelijkertijd ook meer kansen benutten. Of anders gezegd: met het terugdringen van de risico’s dreigt men ook de kansen te reduceren. Het onderzoek toont tevens aan dat precies omdat veel ouders in Europa net als hun kinderen inmiddels online zijn, ze een actieve rol kunnen spelen in het veilig houden van internetgebruik voor hun kinderen.

Voor meer informatie over EU Kids Online, klik op deze link

Wat hieraan voorafging:

Fase 1

Naarmate het internet en nieuwe online technologieën deel worden van het dagelijkse leven, rijzen prangende vragen naar de sociale gevolgen. Kinderen, jongeren en hun families horen bij de koplopers voor adoptie van nieuwe media. Ze profiteren als eersten van de nieuwe mogelijkheden geboden door het internet, mobiele en breedband content, online spellen en peer-to-peer technologieën. Tegelijk lopen ze de kans om risicovolle of negatieve ervaringen te beleven, waarop ze niet zijn voorbereid. Deze risico's, de dagdagelijkse context waarin ze voorkomen en de manier waarop ermee wordt omgegaan evolueren constant.

Rigoureus, up-to-date en contextgevoelig datamateriaal is essentieel met het oog op de ontwikkeling van een flexibel beleidsraamwerk en een academische onderzoeksagenda. Het EU Kids Online project analyseert het onderzoek dat wordt uitgevoerd in de lidstaten naar hoe mensen, in het bijzonder kinderen en jongeren nieuwe media gebruiken. In dit driejarig samenwerkingsverband werken academici samen om het beschikbare onderzoeksmateriaal te identificeren, te vergelijken en te evalueren. De deelnemende landen zijn België, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Frankrijk, Griekenland, Ijsland, Nederland, Noorwegen, Polen, Portugal, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Oostenrijk Verenigd Koninkrijk en Zweden.

Centrale vragen zijn:

• Welk onderzoek is beschikbaar en welk onderzoek ontbreekt?
• Welke risico's dienen zich aan voor wie en m.b.t. welke technologieën?
• Welke sociale, culturele en regelgevende aspecten beïnvloeden mogelijk de risico's?
• Welke overeenkomsten en verschillen bestaan er doorheen Europa?
• Welke factoren beïnvloeden onderzoek op dit domein?

Dit project heeft tot doel om onderzoeksbevindingen te identificeren en te vergelijken doorheen alle lidstaten en om aanbevelingen te formuleren inzake veiligheid van kinderen, hun mediageletterdheid en risicobewustzijn. De betrokken onderzoekers nodigen hierbij ten zeerste academici en praktijkmensen uit om informatie over onderzoek en beleidsontwikkelingen door te sturen.