Rapport: Dienstverlening van de overheid door de Vlaming beoordeeld

Kampen Jarl K., Van de Walle Steven, Bouckaert Geert & Maddens Bart. december 2003.
Leuven: Instituut voor de Overheid. 120 p.
Identificatienummer: IO05050016

Onderzoek & andere rapporten


Het project Burgergericht Besturen: Kwaliteit en Vertrouwen in de Overheid, uitgevoerd door het Instituut voor de Overheid (KU Leuven), is gesitueerd binnen
het Programma Beleidsgericht Onderzoek (PBO 99B/1/14) van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het onderzoeksproject heeft als doel te peilen naar
oorzaken en niveaus van wantrouwen en ontevredenheid bij klanten van overheidsdiensten en burgers, hetzij op macro (de overheid als geheel), meso (het niveau
van de publieke organisatie) of micro niveau (het niveau van dienstverlening van de overheidsinstellingen). Het onderzoek startte in november 2000 en loopt tot
en met oktober 2004.
Dit rapport is het zevende in een reeks onderzoeksrapporten geproduceerd in het kader van het programma Burgergericht Bestuur: Kwaliteit en Vertrouwen in
de Overheid. Het bouwt voort op de theoretische beschouwingen en statistische analyses die in het kader van de survey “Werken Aan De Overheid” werden gedaan
en die tot doel hebben de relatie tussen de kwaliteit van overheidsdienstverlening op de tevredenheid en het vertrouwen van burgers in diensten, administraties en
de overheid in het algemeen te onderzoeken. In dit rapport willen we op grond van klanten- en burgerbevragingen nagaan of en in welke mate er een verband is
tussen tevredenheid met overheidsdienstverlening en vertrouwen in de overheid.

Andere rapporten van het project Burgergericht Besturen: Kwaliteit en Vertrouwen in de Overheid.

Samenvatting

Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat moderne democratie¨en lijden aan een negatief imago bij de bevolking. Het debat over de daling van
het vertrouwen in de overheid in het algemeen en haar instituten in het bijzonder vormt ´e´en van de grootste uitdagingen voor Westerse beleidsmakers.
Studie van het vertrouwen in de overheid strekt zich inmiddels uit over verschillende decennia (zie Van de Walle, Bouckaert, Maddens & Kampen, 2002).
De Amerikaanse politicoloog Easton maakte in 1965 een belangrijke tweedeling in het begrip overheid. Vertrouwen in de overheid, zo stelt hij, berust
enerzijds op de steun voor het staatsbestel (zgn. diffuse steun) en anderzijds op de steun voor de actoren en producten (output) van het staatsbestel (zgn.
specifieke steun). Men kan een hartstochtelijke hekel hebben aan hedendaagse politici en t´och de democratie steunen. Een computeranalogie luidt dat men
vertrouwen kan hebben in een pc en aangekoppelde printer (hardware), maar wantrouwen in de persoon achter het toetsenbord en de regelgeving die wordt
afgedrukt. Als analytisch model blijkt het echter zinvol te zijn om in plaats van een twee-, een driedeling van de overheid aan te houden. Het (diffuus) begrip
overheid, zo blijkt uit empirische studie (Kampen & Van de Walle, 2003), valt uiteen in drie pijlers:
1. de overheidsadministraties en -diensten en de perceptie van hun werking,
2. de politieke instituten en het politiek bedrijf,
3. het democratisch bestel en de verdeling van bevoegdheden.

Het is bovendien belangrijk om rekening te houden met enerzijds eigenschappen van het object dat wordt vertrouwd (de politieke instellingen, de publieke
diensten en administraties) en anderzijds eigenschappen van het subject dat vertrouwt.

Tot voor kort richtten studies van de kwaliteit van overheidsdienstverleningen zich met name op zgn. harde indicatoren, zoals budget en output (Bouckaert
& Van de Walle, 2003). Het is pas een recent gegeven dat de aandacht zich richt op zgn. zachte indicatoren, zoals tevredenheid en vertrouwen. De modernisering
van de overheidsinstellingen neemt nu een centrale positie in tussen de strategie¨en om het vertrouwen te herstellen. Verbeteringsinitiatieven, is de
gedachte, verhogen de kwaliteit van publieke diensten en maken deze zichtbaarder.
Dit zou leiden tot een grotere tevredenheid van de burgers welke op zijn beurt weer zou leiden tot een groter vertrouwen in de overheid. De
groeiende sceptische en wantrouwende houding van de burger ten opzichte van de overheid betekende vanaf midden jaren negentig immers een belangrijke
impuls om te komen tot kwaliteitsverbeteringen in de dienstverlening van de overheid. De overheidsmoderniseringsretoriek plaatst het presteren
van de overheid en overheidsdiensten in het centrum van verklaringen voor het wantrouwen van de burger. De veronderstelde band tussen de werking van
overheidsdiensten en vertrouwen in de overheid krijgt steeds meer aandacht, zowel van academici (Pollitt & Bouckaert, 2000: 123-6; Bok, 2001), als van
overheden en onderzoeksinstellingen (Sims, 2001; Barnes & Gill, 2000; Ryan, 2000). De inleiding tot de Amerikaanse Government Performance and Results
Act stelt dat ...waste and inefficiency in Federal programs undermine the confidence of the American people in the Government (Government Performance
and Results Act, 1993).

Verschillende OESO documenten verwijzen op een gelijkaardige wijze naar de relatie tussen het functioneren van de openbare sector en het vertrouwen in de
overheid (OECD, 2000). Het National Partnership for Reinventing Government, de grote moderniseringsoefening bij de Amerikaanse federale overheid,
gaat zelfs een stapje verder: After a 30-year decline, public trust in the federal government is finally increasing. When last measured by the University of Michigan in 1998, the public’s trust in government had nearly doubled within a four-year period to 40 percent. While this cannot be totally attributed to the
results of reinvention, NPR believes reinvention has made an important contribution in raising the public’s trust in the government and creating
a better workplace for federal employees. (National Partnership for Reinventing Government, 2001).

Onderzoek naar vertrouwen in de overheid tracht meestal statistische relaties te vinden tussen een serie socio-demografische en sociologische variabelen en
vertrouwen, maar in feite is vrij weinig geweten over de causale processen die aan de grondslag van deze relaties liggen. Causaliteit is een basisvraag wanneer
we de relatie tussen het functioneren van overheidsdiensten en vertrouwen in de overheid wensen te onderzoeken. Meer bepaald is het niet eenvoudig vast te
stellen of een gebrekkige dienstverlening leidt tot een ongunstige beoordeling van de overheid als geheel, dan wel of een negatieve instelling ten aanzien van
de overheid resulteert in een negatieve beoordeling van de diensten waarin deze overheid voorziet. Werkt dit causale proces in de twee richtingen, of hebben
we te maken met twee totaal verschillende processen die op hetzelfde moment aan het werk zijn? Onder welke voorwaarden is er een verband? In de sociale
wetenschappen komen maar weinig situaties voor waar het bestaan van een causale relatie ondubbelzinnig kan worden vastgesteld: als X dan Y . Veelal
blijken externe factoren een rol te spelen.

Dit rapport is het zevende in een reeks onderzoeksrapporten geproduceerd in het kader van het programma Burgergericht Bestuur: Kwaliteit en Vertrouwen
in de Overheid. Het bouwt voort op de theoretische beschouwingen en statistische analyses die in het kader van de survey “Werken Aan De Overheid”
werden gedaan en die tot doel hebben de relatie tussen de kwaliteit van overheidsdienstverlening op de tevredenheid en het vertrouwen van burgers in
8 Dienstverlening van de overheid door de Vlaming beoordeeld diensten, administraties en de overheid in het algemeen te onderzoeken. In
dit rapport willen we op grond van klanten- en burgerbevragingen nagaan of en in welke mate er een verband is tussen tevredenheid met overheidsdienstverlening
en vertrouwen in de overheid. Dat wil zeggen dat we ons richten op de dynamiek in de rechterpoot van Figuur 1.1. Hiertoe beschikken we over
twee bronnen van gegevens. Op de eerste plaats maken we gebruik van data m.b.t. tevredenheid en vertrouwen verzameld door de Dienst Studietoelagen
(depart. Onderwijs, MVG), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), het Vlaams Fonds voor Integratie van personen
met een Handicap, en de Administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management (ABAFIM). Op de tweede plaats benutten we de gegevens
opgetekend in de burgersurvey “Werken Aan De Overheid” die in april-juni 2002 bij 1,250 Vlaamse burgers mondeling werd afgenomen (Bouckaert et
al., 2002). In de komende hoofdstukken proberen we de vermeende relatie tussen het functioneren van overheidsdiensten en vertrouwen in de overheid
te deconstrueren. We zullen impliciete grondstellingen (axioma’s) van de redenering blootleggen. In het volgende hoofdstuk geven we het theoretisch
kader aan waarin de empirische verbanden tussen tevredenheid en vertrouwen conceptueel zullen worden geduid. We gaan daarbij uitgebreid in over
vraagstukken ten aanzien van causaliteit. De daaropvolgende twee hoofdstukken omvatten de statistische analyses van de voornoemde bronnen van
data in het licht van de in het tweede hoofdstuk opgestelde hypothesen. De voornaamste conclusies van het empirisch onderzoek worden opgesomd in het
laatste hoofdstuk waar ook een aantal beleidsadviezen met betrekking tot het methodologische aspect van burgerbevragingen worden gegeven.

Inhoudstafel

1 Inleiding

2 Het theoretisch kader
2.1 Dienstenaanbod en waardering
2.2 Conceptuele bemerkingen bij de prestatiehypothese
2.2.1 Objecten van evaluatie
2.2.2 Evaluatie criteria
2.3 Ontologische bemerkingen bij de prestatiehypothese
2.4 Kernpunten van kritiek en een perspectief op empirische toetsing
3 Klantenbevragingen
3.1 Algemene vraagstelling en methode
3.2 De Dienst Studietoelagen (2001)
3.3 De VDAB (2002)
3.4 Het Vlaams Fonds voor Integratie van Personen met een Handicap (2001)
3.5 De ABAFIM (2002)
3.6 Studie van de geaggregeerde data
3.7 Bevindingen
4 Burgerbevragingen
4.1 De politie
4.2 Het lager onderwijs
4.3 De Post
4.4 De vuilnisophaaldienst
4.5 De VDAB
4.6 De Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn
4.7 High impact agencies
4.8 Op zoek naar een anker: de predispositie van burgers ten opzichte van de overheid
5 Conclusies en enkele beleidsaanbevelingen
5.1 Overzicht van de voornaamste bevindingen uit het empirisch onderzoek
5.2 Beleidsaanbevelingen