Doctoraatsonderzoek:
Verklarende factoren van de implementatie van kwaliteitsmanagementtechnieken. Een studie binnen de Vlaamse Overheid (2007-2012)
‘Quality is the result of a carefully constructed cultural environment. It has to be the fabric of the organization, not part of the fabric.’ (Philip Crosby)
Financiering: KU Leuven (onderzoekstoelage (OT) van het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF))
Omschrijving
In dit doctoraatsproject staat het zoeken naar verklarende factoren van de implementatie van kwaliteitsmanagementtechnieken (KMT) centraal. Concreet wordt nagegaan onder welke omstandigheden, en in welke mate beheersautonomie, resultaatgerichte sturing en organisatiecultuur (met name de culturele aspecten ‘flexibiliteit’ en ‘beheersing’) een effect hebben op de mate waarin KMT worden geïmplementeerd.
Het onderzoek omvat een kwantitatieve en kwalitatieve component. Om een eerste zicht te krijgen op de manier waarop beheersautonomie, resultaatgerichte sturing en organisatiecultuur gerelateerd zijn aan de implementatie van KMT, worden er in de eerste onderzoeksfase analyses uitgevoerd op reeds bestaande survey-data, verzameld bij 124 Vlaamse overheidsorganisaties. De kwantitatieve analyse wordt gevolgd door een multiple case study, wat het grootste deel vormt van dit onderzoek. De case study wordt uitgevoerd bij drie Vlaamse overheidsorganisaties binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG): het Departement WVG, het Agentschap Jongerenwelzijn en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Binnen elke case worden er data verzameld aan de hand van documentenanalyse, vragenlijsten, focusgroepen en interviews.
De cross-case analyse toont aan dat de implementatie van KMT gelijktijdig beïnvloedt wordt door verschillende factoren, zoals eveneens gebleken uit de survey. M.b.t. onze centrale onderzoeksconcepten wordt er over de cases heen geen eenduidige invloed van beheersautonomie of interne flexibiliteit/beheersing vastgesteld. Resultaatgerichte sturing blijkt negatief gerelateerd te zijn aan de implementatie van KMT (hoe sterker gestuurd op resultaten, hoe minder sterk KMT worden geïmplementeerd). De resultaten van de within-case analyse geven aan dat de implementatie van KMT binnen elke case bepaald wordt door zowel interne als externe factoren. De geïdentificeerde externe factoren kunnen geclusterd worden in twee groepen: (1) factoren in de relatie met de toezichthoudende overheid (bv. KMT om overheid zicht te geven op de werking van de organisatie, vertrouwen van overheid te krijgen); (2) factoren in de relatie met andere organisaties (bv. KMT omdat andere organisaties in het veld deze gebruiken, KMT om andere organisaties te laten zien dat er gewerkt wordt aan de kwaliteit van dienstverlening). De specifiek geldende interne / externe motieven, en de mate waarin deze de implementatie van KMT bepalen, verschilt van case tot case. Het onderzoek wijst erop dat meerdere theorieën (bv. agentschapstheorie, sociale identiteitstheorie) bijdragen tot de verklaring van de implementatie van KMT. De verklarende kracht van elk van deze theorieën varieert over de cases heen.
Onderzoeker
- Promotor: Koen Verhoest
- Co-promotor: Geert Bouckaert
- Doctorandus: Sara Demuzere


