Doctoraat:
Organisatie en management van regulering
(2007-2012)
“In bepaalde sectoren zijn bevoegdheden verspreid over veel verschillende organisaties of overheidsniveaus. Daardoor ontstaan er potentieel hoge administratieve lasten en zullen complexe mechanismen voor coördinatie moeten opgezet worden.”
Dit doctoraat bouwt voort op het onderzoek uitgevoerd binnen het Steunpunt bestuurlijke organisatie Vlaanderen
- Doctorandus: Jan Rommel
- Promotor: Koen Verhoest
- Datum verdediging: 25 juni 2012
- Meer info SBOV-project: Organisatie en management van regulering (2007-2011)
- Publicaties van Jan Rommel
Samenvatting
Het vertrekpunt van dit onderzoek is de claim in de recente literatuur dat overheden momenteel erg versnipperd zijn.
Het onderzoek focust op de effecten van zulke versnippering op micro-niveau, waarbij fragmentatie een negatief effect zou hebben op de autonomie van individuele organisaties. Als gevolg van NPM-hervormingen zijn overheden niet langer de grote bureaucratieën van weleer. De overheidssector bestaat uit meerdere, hooggespecialiseerde organisaties, vaak met overlappende taken. Dit verhoogt de interdependentie tussen actoren, alsmede de nood aan coördinatie. Regels worden niet langer uitgevoerd door enkele actoren, maar door complexe multi-actor multi-level constellaties.
Om deze effecten te bestuderen, werd in de thesis een ‘relationeel perspectief’ ontwikkeld mbt autonomie van toezichthoudende overheden. Het centrale idee is dat de feitelijke autonomie van organisaties beïnvloed wordt door hun relaties met andere actoren. Dit omvat uiteraard de sturing door de minister, maar ook de interacties en de mate van coördinatie met de constellatie.
De relevantie van dit perspectief is dat het toelaat om autonomie te bestuderen vanuit een ruimere en meer dynamische blik, in vergelijking met vorige literatuur. Wanneer de interdependentie met andere actoren in rekening gebracht wordt, zal de feitelijke autonomie van de organisatie verschillen (i.e. hoger of lager zijn) dan wanneer enkel de autonomie tegenover de minister onderzocht wordt.
Het onderzoek wijst op een positief effect van de organisatievorm (i.e. relaties met de minister) en een negatief effect van fragmentatie (i.e. relaties met de constellatie) op autonomie.
De theoretische basis van het perspectief wordt gevormd door de literatuur over vertrouwen. De thesis onderzoekt de oorzaken van vertrouwen, op basis van drie dimensies (expertise, routine, identiteit). Bovendien verkent de thesis welke impact vertrouwen heeft op de relaties tussen toezichthouders.
Het onderzoeksmodel wordt verfijnd op basis van twee case studies. Een bevinding is dat vertrouwen een belangrijke voorwaarde is voor coördinatie tussen actoren, vooral over strategische topics en beleidsvorming. Het lijkt echter geen grote rol te spelen inzake samenwerking over operationele, dagdagelijkse, dossiers. Een andere bevinding is dat vertrouwen opportuniteiten biedt aan agentschappen om autonomie te verwerven tegenover hun minister: hoe meer vertrouwen, hoe meer autonomie aan de toezichthouder verleend wordt.


