Activiteitenverslag 2010

An external view of the Public Management Institute

<< inhoudstafel | < vorige pagina | volgende pagina >
korte papieren versie (binnenkort beschikbaar) - lange webversie (pdf )

steen

 

 

"De sterkte van het Instituut ligt in haar combinatie van fundamenteel onderzoek, beleidsgericht onderzoek, vorming en opleiding, en wetenschappelijke dienstverlening. Het instituut biedt een sterke combinatie van onderzoek en dienstverlening, van theorie en praktijk, van oud en jong."

 

Dr. Trui Steen
Universitair Hoofddocent
Instituut Bestuurskunde
Universiteit Leiden, Nederland

Geert Bouckaert’s intussen welgekende slogan ‘Eens een instituter, altijd een instituter’ symboliseert de kracht die het Instituut haalt uit het uitbouwen van netwerken zowel binnen eigen land, als internationaal. Maar voor mij toont het ook de persoonlijke band die -al is een medewerker reeds jaren niet meer ‘in dienst’ bij het instituut- toch blijft bestaan. Tussen 1997 en 2000 heb ik onder begeleiding van mijn promotor Annie Hondeghem en co-promotor Roger Depré, een proefschrift geschreven over de hervormingen in het personeelsmanagement van de Vlaamse gemeenten. Vervolgens was ik actief bij de organisatie van het ‘Public Management Programme’, de leersabbat voor federale ambtenaren die door Annie Hondeghem werd geïnitieerd. Tussen 2001 en 2004 was ik ook als onderzoekscoördinator betrokken bij de onderzoekssporen ‘HRM’ en ‘Veranderingsmanagement’ in het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen. Hier werden de samenwerkingsbanden tussen het Leuvense Instituut voor de Overheid en de steunpuntpartners in Antwerpen en Gent nauwer aangehaald. In 2004 kreeg ik een nieuwe uitdaging aangeboden aan de Universiteit Leiden, en werd ik één van de nog steeds groeiende groep academici gepokt en gemazzeld aan het Instituut voor de Overheid, maar intussen actief aan andere universitaire instellingen in België of buitenland. Tijdens deze jaren, heb ik  het instituut zien groeien van een nog relatief kleine, tot een sterk uitgebreide groep medewerkers. Opvallend is echter dat ondanks die groei de onderlinge samenhang steeds hoog is gebleven. Het Instituut is niet zomaar een verzameling mensen, het is een team van gedreven en enthousiaste medewerkers. Ook na mijn vertrek naar Leiden, hield ik graag contact met het Instituut. Annie Hondeghem kon me er daarbij meer dan eens op wijzen dat ik, hoewel  intussen docent aan een andere universiteit, nog steeds over ‘wij’ sprak wanneer het het Instituut betrof.

Nog steeds is er een nauwe band met het Instituut, bijvoorbeeld via internationale netwerken zoals de ‘working group on Personnel Policies’ van de European Group for Public Administration (EGPA), waarvan Annie Hondeghem jarenlang co-voorzitter was, of via onderzoek uitgevoerd aan het Instituut, waarbij ik als expert mee kan discussiëren, zoals het door Federaal Wetenschapsbeleid gefinancieerde onderzoek naar “Het mandaatsysteem in de federale overheid geplaatst binnen een internationaal perspectief” (een samenwerking tussen het Instituut voor de Overheid en UCL), of het onderzoek naar de relaties tussen politici en leidend ambtenaren in de EU, uitgevoerd in opdracht van het European Network of Directors General for Public Administration (EUPAN) en de Federale Overheidsdienst P&O.

Op dit moment start ik in Leiden een onderzoeksproject dat aandacht wil schenken aan hoe professionals in de publieke sector omgaan met contrasterende belangen en welke rol de ‘public service motivation’ van deze professionals hierbij speelt. ‘Public service motivation’,  kortweg te omschrijven als de persoonlijke betrokkenheid bij het nastreven van het algemeen belang, kreeg de voorbije jaren heel wat aandacht in het bestuurskundige veld. Het Instituut voor de Overheid was daarbij een spil-onderzoekscentrum.  Dankzij de steun van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) kan ik een onderzoeksteam opstarten, met twee promovendi die in hun onderzoek zullen inzoomen op het samenspel tussen het dienen van het algemeen belang, het maken van persoonlijke afwegingen en het omgaan met druk vanuit de organisatie en bredere omgeving. Ook hier zijn de ‘roots’ van deze onderzoeksthematiek terug de brengen tot het Instituut voor de Overheid, met name het onderzoek naar de aantrekkelijkheid van de Vlaamse overheid als werkgever en de motivatie van laatstejaarsstudenten en pas afgestudeerden om te werken binnen de publieke sector; een onderzoek waarin ik naast Annie Hondeghem en Wouter Vandenabeele een bescheiden rol had. 

Bij de eerste doctoraatsuitreiking die ik mocht meemaken aan de Universteit Leiden, werd ik aangenaam verrast door een klein onderdeel in de ceremonie. Aan het eind van het door de promotor uitgesproken laudatio, wordt de kersverse doctor aangemoedigd om de nieuwe titel te waarderen als een eervolle onderscheiding en een welverdiend voorrecht, maar ook om daarbij nooit “de verplichtingen die zij oplegt, jegens de wetenschap en het vaderland” te vergeten. Een dergelijke, expliciete aanmoediging kennen we niet in België bij de toekenningen van doctortitels. Dat is misschien wel een gemis. Nu we in de academische wereld in de eerste plaats worden afgerekend op de productie van engelstalige publicaties, vrees ik dat de vraag wat de bijdrage van het academisch werk kan zijn voor de maatschappij soms uit het oog wordt verloren. Tegelijkertijd echter ben ik overtuigd dat elke medewerker die de nodige tijd heeft doorgebracht in het Instituut voor de Overheid, deze extra aanmoediging niet nodig heeft. De sterkte van het Instituut ligt in haar combinatie van fundamenteel onderzoek, beleidsgericht onderzoek, vorming en opleiding, en wetenschappelijke dienstverlening. De maatschappelijke relevantie van het onderzoek, de bijdrage die het onderzoek kan leveren tot een verbetering van de werking van het openbaar bestuur, staat centraal en de onderzoekers gaan ook steeds in dialoog met de praktijk. Het mag trouwens niet onvermeld blijven dat net die eigenheid van het Instituut -de combinatie van onderzoek, vorming en dienstverlening – reeds van bij de start aanwezig was, toen Roger Depré en wijlen Hugo van Hassel het Vervolmakingscentrum voor Overheidsbeleid en - Bestuur opbouwden. Die brede aandacht en maatschappelijke inzet vormden ook een basis voor de Life Time Achievement Award die Roger Depré mocht ontvangen vanwege de Vlaamse Vereniging voor Bestuur en Beleid.

Het instituut biedt een sterke combinatie van onderzoek en dienstverlening, van theorie en praktijk, van oud en jong. We spreken wel eens van verschillende generaties die elkaar opvolgen. Ik zie mezelf graag als een ‘academische kleindochter’ van Roger Depré, en ‘academische dochter’ van Annie Hondeghem. De (klein)dochter is dan wel al enkele jaren terug het huis uit getrokken, de band blijft.

dr. Trui Steen

<< inhoudstafel | < vorige pagina | volgende pagina >
korte papieren versie (binnenkort beschikbaar) - lange webversie (pdf )

Top