Zelfidentificatie

Ingediend door Bambi op Vrij, 2006-09-08 13:34. ::

Zeggen dat de meeste Eurafrikanen zich identificeren met hun Afrikaanse ouder en hun Afrikaanse familie, is niet hetzelfde als zeggen dat ze zich identificeren als Burundees, Congolees, Rwandees, Mongo, Mukongo enz. Fernand die zichzelf beschrijft als een toerist in Rwanda is daarvan het beste bewijs. Evenmin is het zo dat het feit dat mensen zichzelf beschouwen als iemand van gemengde afkomst, betekent dat ze zichzelf ook in eerste instantie zo beschrijven. Zo antwoordt Irène, gevraagd naar haar identiteit, dat ze een méns is – wat niemand kan ontkennen.
Met een onderwerp als métissage mogen vragen naar culturele affiniteit en identiteit logisch lijken en zelfs voor de handliggend lijken. Maar het is werp opvallend dat sociale wetenschappers “cultuur” en “identiteit” in vraag zijn gaan stellen als analytische begrippen op een moment dat vele mensen zich deze termen zijn gaan toeëigenen om zichzelf te beschrijven als lid van een specifieke groep in termen van leeftijd, etniciteit, gender, nationaliteit, religie, seksuele voorkeur enz. Dergelijke identificaties zijn immers niet natuurlijk maar blijken eigen aan specifieke tijdstippen en/of locaties. De idee dat de moderne mens kinderen zou hebben uitgevonden, zoals de historicus Philippe Ariès beweerde in een beroemde studie mag dan sterk overtrokken zijn, het is alleszins een feit dat ideeën over kinderen en kindertijd grondig kunnen verschillen naargelang tijd en plaats. Het is met de identiteiten van mensen van gemengde afkomst niet anders.
Vergelijkingen tussen Eurafrikanen van de eerste generatie geboren voor en na de dekolonisaties van 1960-1962 zullen dat verder verduidelijken. Heel eenvoudig gezegd betekent het feit dat men één Afrikaanse en één Europese ouder heeft niet dat men zich eenvoudigweg identificeert als zijnde Eurafrikaan, ook al hebben we deze term gekozen om naar deze mensen te verwijzen. Op het eerste gezicht is er geen maat te trekken op de manieren waarop mensen zich identificeren: waarom beschouwt Daniel, die Congo verliet toen hij vier en een half jaar was en opgroeide bij zijn Vlaamse moeder zichzelf in eerste instantie als Congolees, terwijl Fernand die elf jaar was toen hij Rwanda verliet, zichzelf naar eigen zeggen zelfs als kind nooit thuis heeft gevoeld in Rwanda? Hoe komt het dat Suzanne die tot haar zeventiende in Rwanda woonde met haar Vlaamse vader en naar eigen zeggen even goed thuis was in de Rwandese als Belgische cultuur, haar nest heeft gemaakt in België en, alhoewel ze zich identificeert als métisse, toegeeft meer contacten te hebben met Belgen dan met Afrikanen? Er is geen voor de hand liggend antwoord op deze vragen. Een mogelijk fascinerende manier om een verklaring te vinden zou erin bestaan om alle nog levende broers en zussen van Irène te interviewen, van wie velen een heel ander pad hebben gekozen: Irène zelf had tot voor zo’n zes jaar amper contact met Congolezen, terwijl een broer al twintig jaar in Congo woont en een zus lang getrouwd was met een Congolees en zich, volgens Irène, volledig thuisvoelt in de Congolese cultuur. Omdat de meeste van Irène’s broers en zussen echter noch in Brussel, noch in Vlaanderen wonen, behoort een dergelijke studie niet tot dit project; ze zal elders uitgevoerd worden.
Terwijl Fernand benadrukt dat het halfbloed zijn alleen niet volstaat om een emotionele band te creëren, mist Frédérique het bestaan van een Eurafrikaanse gemeenschap. Xavier heeft dan weer voor zichzelf een Eurafrikaanse vriendenkring gevonden die bestaat uit mensen die Europese en Afrikaanse/Caribische voorouders van overal hebben en Sophie benadrukt dat het vinden van haar biologische vader veel belangrijker voor haar was dan kennismaking met andere Eurafrikanen.
Afrikanen die tijdens de koloniale periode in België terechtkwamen huwden bijna zonder uitzondering Europese vrouwen. Veel keuze hadden ze niet: er waren amper Afrikaanse vrouwen in België. Het verging velen van hun kinderen niet anders. Het feit dat de kinderen van Save terechtkwamen in verschillende adoptie- en pleeggezinnen leidde ertoe dat ze hier opgroeiden zonder veel contacten met elkaar en dat velen onder hen een blanke partner kozen. Op lange termijn betekent dit dat hun “zwarte bloed” zich oplost en dat hun nakomelingen, zoals velen zeggen, er “blank” uitzien. Of dat een bewuste tactiek was of niet, het verhinderde alleszins dat deze kinderen onder elkaar een Eurafrikaanse gemeenschap “stichtten”. Vanaf de jaren ’70 zien we enerzijds een grote toename van het aantal Burundezen, Congolezen en Rwandezen in België, eerst als studenten, later als asielzoekers en vluchtelingen, mannen zowel als vrouwen (alhoewel mannen licht in de meerderheid zijn) en anderzijds een groeiend bewustzijn van het Eurafrikaans zijn. Dit betekent niet dat er een direct, oorzakelijk verband bestaat tussen beide. Net zoals subjectieve veiligheidsgevoelens niet noodzakelijk evenredig zijn aan objectieve onveiligheidsfactoren, zo berust identiteitsvorming niet op kennis van een minimum aantal lotgenoten. Fernand en Jacqueline identificeren zich niet als Belgisch en hebben tijdens het grootste deel van hun hele leven weinig andere Eurafrikanen of Afrikanen gekend hebben; Frédérique, daarentegen, identificeert zich sterk als Eurafrikaanse alhoewel ze weinig Eurafrikanen kent en dit als een gemis aanvoelt. De opkomst van identitaire bewegingen vanaf de jaren ’70 speelt ongetwijfeld een grotere rol dan de numerieke aanwezigheid of kennis van Eurafrikanen en/of Afrikanen in België. Frédérique stelt daarmee het probleem van opgedrongen identiteit aan de orde. De opgedrongen identiteit ligt niet zozeer in de identificatie door anderen, maar in het onvermogen van de geïdentificeerde om de hem toegeschreven identiteit te onderhandelen of te ontkennen. Het betekent een verlies van controle over de identiteit omdat de eigen zelf-identificatie irrelevant wordt. Dat kan ertoe leiden dat individuen zich een andere identiteit gaan aanmeten omdat een meerderheid hen weigert te aanvaarden als een van hen. Frédérique zelf is een typisch voorbeeld: ze is geboren en getogen in Vlaanderen, maar voelt zo sterk aan dat de meeste Vlamingen haar, op basis van haar uiterlijk, niet (h)erkennen als Vlaamse, dat ze nood voelt aan lotgenoten met wie ze haar Eurafrikaanse identiteit kan delen.