Gemengde huwelijken: cultuurverschillen of machtsstrijd?

Ingediend door Bambi op Vrij, 2006-09-08 13:19. ::

Dienke Hondius begint haar studie over “gemengde huwelijken” in Nederland met de zin: ‘Twee mensen ontmoeten elkaar en worden verliefd’. Dat is het romantische beeld dat we koesteren van ware liefde die alle hinderpalen overwint, inclusief culturele, etnische, nationale, raciale of religieuze verschillen. In werkelijkheid wordt zelfs onze partnerkeuze veel meer beïnvloed door structurele factoren waarop we weinig vat hebben, dan we willen toegeven. Het is geen toeval dat in heteroseksuele relaties in onze samenleving, mannen doorgaans ouder of even oud, maar zeker niet jonger zijn dan vrouwen en een hogere of gelijkaardige opleiding hebben, zeker geen lagere. Het is evenmin toeval dat in Belgisch Afrika de meeste gemengde relaties plaatsvonden tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen. In zoverre dat in de koloniale context mannen stonden tot Europeanen zoals vrouwen stonden tegenover Afrikanen, bevestigden de seksuele relaties tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen de suprematie van de eerst- op de laatstgenoemden en, bij uitbreiding, van Europese kolonisatoren op Afrikaanse gekoloniseerden.
De heterogame of gemengde echtparen die Hondius interviewt gaven toe dat het herleiden tot ruzies tot cultuurverschillen voor velen onder hen een gemakkelijkheidoplossing is, en, hoe impliciet ook, een manier om niet het eigen ongelijk te moeten toegeven. Als men beweert dat men zus handelt omdat men tot cultuur zo behoort, dan suggereert men, hoe onbewust ook, dat men niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor wat men doet en dat men ook geen verantwoording moet voor afleggen tegenover de partner.
Het is op basis van zegge en schrijve twee interviews met heterogame echtparen en een vrouw die vroeger zo’n relatie had vanzelfsprekend onmogelijk om tot enige conclusies te komen. Maar het is alleszins opvallend dat machtspatronen veel sterker aan bod komen dan cultuurverschillen. Maud nuanceert het belang van cultuurverschillen door te wijzen op de superioriteit waarop Europese vrouwen zich laten vooropstaan in verhouding tot hun Afrikaanse partners. Inderdaad is er moeilijk een groter cultureel verschil denkbaar dan de huwelijkskeuze bij Sonde en Vlamingen. Toch hebben Firmin en Kinguli het daar in bijna vijftig jaar blijkbaar nooit eerder over gehad. Sterker nog, Firmin heeft al die tijd niets geweten van Sonde partnerkeuze. Het gaat dus minder om objectief waarneembare cultuurverschillen dan om diegene waaraan mensen betekenis geven. Omdat Kinguli er nooit heeft op aangedrongen dat haar kinderen, naar Sondegewoonte liefst met neven en nichten zouden trouwen, heeft zich binnen dit gezin dit specifiek probleem van cultuurverschil nooit gesteld. In plaats daarvan kibbelen ze over wie de baas is. Hij meent dat hij de baas is, niet in het minst omdat hij de gezinsportefeuille beheert. Zij, daarentegen, benadrukt keer op keer dat zij, ondanks het feit dat ze twintig jaar jonger is en ongeletterd en als vreemdelinge in België terecht is gekomen, geen huissloof is die hem op zijn wenken bedient, maar iemand die op haar rechten staat.
In dat verband is het ook opvallend dat Firmin, Kinguli, Jean-Jacques, Lucia en Maud allen, op verschillende manieren, vooral wijzen op genderverschillen. Firmin schrijft Kinguli’s weerspannigheid in eenzelfde adem toe aan haar zwart- en vrouw-zijn. Kinguli herhaalt twee keer dat zij de sterke partij is omdat hij het was die haar achterna zat niet omgekeerd, iets wat Firmin bevestigt en normaal noemt tussen mannen en vrouwen. Jean-Jacques spreekt zijn bewondering uit voor Europese vrouwen die evenals Afrikaanse mannen gediscrimineerd worden. Lucia beschrijft zichzelf als een feministe die zich niet door mannen laat commanderen. Maud, tenslotte, schrijft het gedrag van haar ex toe aan het feit dat hij een man is. Alle mannen, zegt ze, zijn hetzelfde, of ze nu van Afrika of 'Chikamaka' komen. Heeft haar man gehandeld als individu, als zeeman ("in elk stadje een schatje"), als Mukongo, als Congolees, of als een combinatie van alle? We kunnen hier moeilijk uitspraken doen over iemand met wie we niet hebben gesproken, maar het is alleszins een centrale vraag.
Ons "gezonde boerenverstand" vertelt ons dat het logisch is dat gemengde verbintenissen minder stabieler zijn dan andere en zullen stranden op cultuurverschillen. Erik (wiens getuigenis nog niet online staat) herinnert ons er echter aan dat momenteel één op drie huwelijken spaak loopt. International onderzoek heeft ook aangetoond dat, indien men echtscheiding gebruikt als indicator van instabiliteit (en dit kan uiteraard slechts bij wettelijke verbintenissen), heterogame huwelijken niét minder stabiel zijn dan homogame. Deze conclusie wordt ook bevestigd in Karen Colpaerts studie van Belgo-Congolees gemengde huwelijken (let wel: het betreft hier alleen huwelijken tussen partners met de Belgische en Congolese nationaliteit, los van hun origine): in 1995 waren er per 100 Congolees-Belgische huwelijken 18,23 echtscheidingen, tegenover 67 echtscheidingen voor de totale Belgische bevolking. M.a.w., het divorcialiteitscijfer voor de totale bevolking ligt driemaal hoger dan voor de Belgisch-Congolees gemengd gehuwde bevolking. Het divorcialiteitscijfer ligt hoger voor koppels samengesteld uit een Congolese man en een Belgische vrouw (25 echtscheidingen op 100 huwelijken) dan voor koppels bestaande uit een Congolese vrouw en een Belgische man (14 echtscheidingen per 100 huwelijken). Het aantal huwelijken tussen Belgische mannen en Congolese vrouwen stijgt sterker dan het aantal huwelijken tussen Belgische vrouwen en Congolese mannen: terwijl in 1966, 30 Belgische vrouwen huwden met een Congolese man en 8 Belgische mannen met een Congolese vrouw, trouwden in 1996 65 Belgische vrouwen met een Congolese man en 80 Belgische mannen met een Congolese vrouw. Dat staat in scherp contrast met Groot-Brittannië waar Afrikaanse en Caribische mannen het meest geneigd zijn een relatie te hebben met een Europese vrouw (in ons land gaan Marokkaanse mannen de meeste heterogame verbintenissen aan). Tijdens de koloniale periode waren er in Britse kolonies, zoals in België, meer (onwettelijke) relaties tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen dan omgekeerd; in het postkoloniale Groot-Brittannië, daarentegen, hebben veel meer Europese vrouwen een relatie met Afrikaanse mannen dan omgekeerd. Een gelijkaardige evolutie heeft zich dus in België niet voorgedaan. Een verklaring voor dit verschil ligt niet zo meteen voor de hand, maar suggereert mogelijk dat in België de ongelijke machtsverhoudingen tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen, en, bij uitbreiding, tussen Europeanen en Afrikanen, bestendigd blijven.
Zijn het cultuurverschillen eerder dan machtsrelaties die verklaren waarom huwelijken tussen Belgische mannen en Congolese vrouwen beter standhouden dan die tussen Belgische vrouwen en Congolese mannen? Bij gebrek aan data is het moeilijk om tot enig besluit te komen. Maar laten we de vraag anders stellen. Pater Delooz merkt op dat een Eurafrikaans meisje Mamea vroeg waarom Aziaten, veelal moslims, die de 'liefdeleer' van Christus niet kenden, de kinderen geboren uit hun relaties met Afrikaanse vrouwen erkennen en aanvaarden, terwijl Christelijke vaders hen verwerpen en verachten. Verklaart een cultuurverschil tussen Europeanen en Afrikanen waarom negen Europese vaders op tien in Belgisch Afrika weigeren hun biologische kinderen te erkennen en enige verantwoordelijkheid voor hen op te nemen terwijl Afrikaanse vaders dat veelal wel doen? Of geldt het hier de ongelijke machtsrelaties tussen Europese, christelijke kolonialen en Afrikaanse gekoloniseerden in een context waar moslims een kleine, weinig gerespecteerde minderheid vormen?
Enerzijds zijn de relaties van Eurafrikanen met Afrikaanse ouders die ze niet gekend hebben, sterker gemengd, in de betekenis van cultuurverschil, dan die met hun Belgische partners. Lucia wijst er in dat verband op dat er wat scholing betreft, minder cultuurverschil is tussen haarzelf en Jean-Jacques, die onderricht kreeg van Belgische (Vlaamse) missionarissen in Belgisch Congo, dan tussen Belgen en Congolezen nu. Anderzijds kunnen er echter wel degelijk conflicten ontstaan door cultuurverschillen waarover Belgische partners en Eurafrikanen die opgegroeid zijn in België opvallend weinig blijken te weten. Een daarvan is de rol van moederlijke ooms in matrilineaire samenlevingen. De ex-echtgenoot van Maud en de vader van Irène zijn allebei Bakongo. Bakongo zijn, zoals Jean-Jacques, zelf een Mukongo (Mukongo is enkelvoud, Bakongo is meervoud), zegt, matrilineair, d.w.z. dat kinderen behoren tot de vrouwelijke lijn. In matrilineaire families ligt het gezag over de kinderen niet bij de vader (met wie ze een liefdevolle relatie kunnen hebben) of de moeder, maar de moederlijke oom, ofte de broer van de moeder. Matrilineaire samenlevingen lijken het oud- Romeinse principe, "mater certissima est" (van de identiteit van de moeder is men 100% zeker) door te trekken naar zijn meest logische conclusies wat betreft de mannen met wie het kind het meest verwant is. Als men zeker is dat de moeder het leven heeft geschonken aan een kind (ten gevolge van nieuwe reproductieve technieken is er nu wel zekerheid is over de vrouw die het kind heeft gebaard maar niet altijd over de vrouw met wie het biologisch het nauwst verwant is), dan kan men met eenzelfde zekerheid de identiteit vaststellen van de vrouw die het leven heeft geschonken aan die moeder zelf en haar broers en zussen. Vanuit dat perspectief is verwantschap met de moederlijke oom minder betwistbaar dan die met de biologische vader omdat men nooit kan uitsluiten dat vrouwen vreemd zullen gaan. In matrilineaire maatschappijen hebben moederlijke ooms financiële verplichtingen tegenover de kinderen van hun zussen. Irène zegt dat haar broers en zussen hun vader verweten dat hij teveel geld zond naar zijn familie in Congo. Maud weet dat haar ex-man zijn familie financieel ondersteunde en vermeldt dat hij vele zussen had. Toch verwijzen ze in dat verband niet naar de rol van moederlijke ooms in matrilinaire samenlevingen. Het is in dat verband opvallend dat ook Jean-Jacques, die zegt dat hij in Congo eigenlijk alleen nog maar zijn oudste zus kent, niets zegt over zijn verantwoordelijkheid tegenover de kinderen van zijn zus(sen), tenzij dan dat hij zijn neven en nichten altijd heeft ontraden naar België te komen.
Een andere potentiële bron van cultuurconflicten is de relatie tussen ouders en kinderen, meer bepaald het respect dat kinderen hun ouders verschuldigd zijn. Maud zegt dat haar ex verwacht dat hun kinderen de contacten onderhouden, terwijl zij er, zoals zijzelf, vanuit gaan dat het zijn taak is dat te doen. Na het interview verwijst Marie-Louise (getuigenis nog niet online) naar een toneelstuk van de Congolees Pie Tshibanda waarin die aanklaagt dat kinderen hier wel worden geleerd over hun rechten als kind, maar niet over hun plichten tegenover hun ouders.
De bruidsprijs, tenslotte, zou een mogelijke bron van conflicten kunnen zijn, maar is dat, in het geval van Firmin en Kinguli niet geweest – of althans, niet permanent. Mogelijk menen sommige gebruikers van deze site onterecht dat mannen zich d.m.v. de bruidsprijs een vrouw kopen. In dat verband verwijs ik graag naar de Vlaamse missionaris Edmond Boelaert die jarenlang woonde bij Mongo in de Evenaarsprovincie, die er in het artikel, “Een vrouw kopen” dat in 1939 in Nieuw Vlaanderen verscheen, op wees dat niet-Vlamingen bij het horen van de uitdrukking 'een kindje kopen' zich mogelijk zouden kunnen voorstellen dat er in Vlaanderen een heuse handel bestaat in 'borelingskes'. Hij verzette zich des te meer tegen elke suggestie als zouden Congolese mannen vrouwen kopen omdat Congolezen zelf die uitdrukking zelf nooit gebruiken; ze klopt dus zelfs symbolisch niet.